In de zak van Zwarte Piet zitten niet alleen cadeautjes maar veel pijn en onmeetbare wreedheid. Men hoeft niet zwart te zijn om dat te erkennen maar wel intelligent. - Donald Jones

In de zak van Zwarte Piet zitten niet alleen cadeautjes maar veel pijn en onmeetbare wreedheid. Men hoeft niet zwart te zijn om dat te erkennen maar wel intelligent. - Donald Jones

Niemand is vóór Zwarte Piet door Jef de Jager

Zwarte Piet, de karikaturale knecht van Sinterklaas, roept elk jaar discussie op en dit jaar zelfs protest bij de intocht in Dordrecht. De stelling: Niemand is vóór Zwarte Piet.

Elk jaar is het weer raak: discussie over de vraag of de zwarte begeleider van Sinterklaas als blijk van racisme moet worden opgevat. Tien, twintig jaar geleden sneden Surinamers en Antillianen dit precaire onderwerp aan. Inmiddels is de situatie in zoverre gewijzigd dat enkelen van hen slechts hoeven te piepen of de rest van Nederland zet het op een joelen. Het verweer luidt steevast dat Zwarte Piet geen neger is doch een Hollandse jongen die roet op zijn gezicht heeft gekregen tijdens zijn gang door de schoorstenen om de geschenken van de Sint rond te brengen.

Laten we elkaar geen pepernoten voor chocoladeletters verkopen: Zwarte Piet ís een neger, altweehonderd jaar. Onlangs heeft een medewerker van het Meertensinstituut, John Helsloot, met enkele klikken van zijn muis ontdekt dat het feest al in 1828 werd gevierd zoals wij het kennen. In een rijke katholieke familie in Amsterdam kwam toen de Sint langs; hij strooide met snoepgoed en deelde kinderen cadeautjes uit die werden aangereikt door… Pieter-meknecht, „een kroesharigen neger’’.

Het staat er dus gewoon. Ook de eerst getekende knecht van Jan Schenkman in het boekje Sint Nicolaas en zijn knecht uit 1850 was ondubbelzinnig een neger. Van de intochten uit mijn eigen jeugd in de jaren vijftig herinner ik me niet anders. In onze beleving waren Zwarte Pieten zelfs de eerste negers die we te zien kregen. We doopten hen Kasavubu en Lumumba.

Nu we dit hebben vastgesteld komt de vraag aan de orde hoe we het ontstaan van Zwarte Piet moeten duiden. Ook al vond dat plaats ten tijde van de slavernij, ik denk toch dat hij als verfijnde versie mag gelden van angstaanjagende wezens die elders de goedheiligman hielpen. In de Alpen is dat tot vandaag Krampus, een duivel in de huid van een zwart schaap; in Frankrijk is dat Père Fouettard (letterlijk: Vader Zweep), die erom bekend staat dat hij drie kinderen heeft gedood. Hiermee vergeleken is de Nederlandse Zwarte Piet, uitgedost in een Moors pakje, een wonder van beschaving. Van belang is tevens dat hij bij zijn entree niemand aanstoot kon geven, omdat hij volkomen exotisch was.

Het staat ook buiten kijf dat Piet altijd enorm zijn best heeft gedaan. Aanvankelijk bleef hij een schattig hulpje van de Sint. De bisschop trad toen nog zelf op als wrekende gerechtigheid: wie stout was gaf hij persoonlijk een pak rammel of stopte hij desnoods in de zak. Omdat de burgerij een dergelijke bruut niet langer over de vloer wilde hebben, kreeg Piet die rol toebedeeld en hij deed dat met verve. Bij intochten stormde hij met rinkelende kettingen langs de terugwijkende kinderen. Een Friezin vertelde mij dat in 1953 in Stavoren nog een knaapje door hem uit de menigte werd geplukt en in de zak verdween, om enkele straten verder volkomen verdoofd te worden losgelaten.

Deze tijden liggen ver achter ons. Piet is een lieverd, evenals de Sint. Sinds de televisie zich over het feest heeft ontfermd kennen we hem ook in allerlei gedaanten, van slim tot dromerig, van overijverig tot ingetogen. Allemaal zeer positief, waar je ook wel eens wee van wordt. Maar nog steeds geldt: het is een neger.

Ik heb me als antropoloog in de afgelopen decennia geregeld met Piet bezighouden. Lang vergoelijkte ik hem, ook toen steeds meer Surinamers en Antillianen zich hier vestigden. Ach, een onschuldige traditie en waarom zou je kleuters willen lastigvallen met verderfelijke verschijnselen als racisme en slavernij? De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat ik de tegenstanders bemoeials vond en verdacht van exploitatie van een minimale misstand, zoals met wijlen de negerzoen was gebeurd.

Maar sinds ik een reportage zag van Amerikaanse blackfacesingers, geschminkte blanken die voor een blank publiek zwarte muziek brachten, wat aan zwarten niet was toegestaan, voelde ik mij ongemakkelijker worden. Inmiddels weet ik dat het buitenland verbijsterd kijkt naar dit onderdeel van onze folklore en dat in Holland, Michigan, wel Sinterklaas wordt gevierd, maar buitenshuis zonder Zwarte Piet, want dat zou in Amerika nooit begrepen worden. Ik weet ook dat de meeste Surinamers en Antillianen in Nederland zich kranig houden, hoewel onlangs een Antilliaanse zangeres verklaarde de tegenstanders te begrijpen, al trok zij niet dezelfde conclusies. Wie van ons kan trouwens garanderen dat Zwarte Piet geen ongewenste stereotypen in de hoofden van Nederlandse kinderen vestigt?

Eigenlijk is niemand vóór Zwarte Piet. Je kunt tegen zijn afschaffing zijn, maar als nu een knecht voor de Sint bedacht zou moeten worden dan zou daar nooit een neger uitrollen. Zo eenvoudig ligt het.

Dit stuk verscheen zaterdag 26 november 2011 in de Leeuwarder Courant.
Jef de Jager is een Nederlands schrijver en cultureel antropoloog. Vorig jaar verscheen zijn boek over de Sneker snoepfabriek Tonnema & Co, ‘De King-familie’.

>www.jefdejager.nl

’t Is een vreemdeling zeker die verdwaald is zeker; over “Sinterklaas” van Charlotte Dematons

Sinterklaas kán best veranderen: slaan met de roe en kinderen meenemen in de zak kunnen niet meer. Maar het verhaal over Sinterklaas en de zwarte Pieten schijnt niet zonder politiek conflict herzien te kunnen worden. Van de Dordtse politie hebben we anno 2011 kunnen leren dat in Nederland sommige mensen kennelijk meer gelijk zijn dan anderen wat betreft de vrijheid van meningsuiting.

Veel Surinaamse, Antilliaanse en Afrikaanse Nederlanders vieren het feest niet mee of staan er ambivalent tegenover, en migranten, vooral Amerikanen en Britten, hebben vaak een hartgrondige afkeer van Nederland in ‘swarte Pieten time’. Ze vragen zich af hoe zoiets anno 2011 nog mogelijk is. Anderen halen hun schouders op bij het in hun ogen overdreven politiek correcte en humorloze ‘gedoe’ over zwarte Piet, zo bijvoorbeeld Anil Ramdas in NRC/Handelsblad, op 4 december 2008. Hij meende zelfs dat dit populisme en misschien ook racisme in de kaart speelt, en daar zit helaas iets in.

Dit ‘gedoe’ zou echter helemaal niet nodig hoeven zijn, als de Nederlandse meerderheid wat flexibeler en historisch bewuster was. Want waarom zou je je schoen niet kunnen zetten of gemene gedichten schrijven zonder mee te moeten doen aan een ‘traditie’ die sommigen werkelijk pijn doet en anderen met stomheid slaat? Sinterklaas heeft een leuke, carnavaleske kant waarbij kinderen hun ouders, leerlingen hun leraren etc., van achter een masker en met een hoop zoetigheid de waarheid zeggen. Maar als de waarheid over Piet zelf eens ter sprake komt, wordt het opeens ongezellig. De onbuigzaamheid van veel Nederlanders om de ongelukkige raciale kanten van dit feest te erkennen is een teken van het onvermogen van de Nederlandse samenleving om met kritiek om te gaan.

Het prentenboek ‘Sinterklaas’ van Charlotte Dematons, dat ook dit jaar weer in elke boekwinkel vooraan staat bij de kinderboeken, illustreert deze verstarring. ‘Sinterklaas’ won in 2008 de Gouden Penseel en is alom geprezen. De Volkskrant schreef dat het ‘boek in geen enkel gezin mag ontbreken’. De jury van de Gouden Penseel prijst het boek omdat er ‘ruimte is voor alle lezers, jong en oud’ en noemt het een ‘klassiek prentenboek met actuele trekjes en een grote knipoog naar de literatuur, de beeldende kunst en Neerlands tradities en eigenaardigheden’. Verbazend is dat jury noch recensies opmerkten dat het boek een aantal van die ‘Neerlandse’ tradities pijnlijk in herinnering brengt. Kennelijk was het niet opgevallen dat een geschiedenis van ongelijke verhoudingen tussen zwart en wit in beeld gebracht wordt. De Pieten zijn overduidelijk zwarte mensen, van jong tot oud, met grote rode lippen zoals de negers van weleer. Met fietsjes en rollators, speelvelden en muziekinstrumenten lijken ze sprekend op ‘ons’, maar een paar dingen valt wel op in de verhouding van de Pieten tot Sinterklaas en de Nederlanders.

Paleis Sinterklaas

Het huis van Sinterklaas. Illustratie: Charlotte Dematons

De Pieten en Sinterklaas wonen in een paleis in Spanje, waar een duidelijke hiërarchie bestaat. Sinterklaas heeft de hele eerste verdieping tot zijn beschikking, met een schitterende slaapkamer, badkamer, en een ontvangstkamer met veel boeken en chique meubelen.  De Pieten slapen met zijn allen op de zolder in slaapzalen met stapelbedden. Eén Piet heeft een eigen slaapkamer, waar een blanke pin-up aan de muur hangt, wat een klassiek raciaal stereotype uit de V.S. is. De Pieten doen al het werk in de keuken, blijmoedig doen ze de was, maken ze suikergoed en verwerken ze de cadeautjesmassa. Een vrouwelijke Piet die de tafel dekt draagt een bediendenschort dat duidelijk van voor Rosa Parks is. Sinterklaas, met zijn hand op de schouder van de hoofdpiet, houdt in de gaten of alles goed verloopt. Kortom een pagina vol koloniale nostalgie.

Sinterklaas door Charlotte Dematons

De boot van Sinterklaas. Illustratie: Charlotte Dematons

Daarna varen Sint en zijn Pieten naar Nederland in een grote stoomboot. Op het dek trappelt het paardje van Sinterklaas, maar onderin het ruim werken en slapen de Pieten met nog minder privéruimte dan in het paleis. Na enige tijd kijken naar deze plaat kwam een beeld bij mij boven: dat van de slavenschepen. Ik vond dat overdreven en joeg de associatie weer uit mijn hoofd. Toen ik echter in de gelegenheid was het boek aan een aantal Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders te laten zien, zeiden ze het onafhankelijk van elkaar en in één oogopslag: het slavenschip. Voor hen zat dat beeld kennelijk dichterbij, maar het zou keihard zijn om dat als een probleem van hen te zien, in plaats van zelf de historische links te durven erkennen. Bij de intocht van Sinterklaas op de volgende pagina worden pogingen enige verandering in het feest te brengen door de Pieten zelf van de hand gewezen: een paarse en een blauwe Piet staan hun best te doen, maar de echte Pieten lachen ze uit. Vol ijver storten die zich vervolgens op hun taak om iedereen een gezellige avond te bezorgen; zij zijn degenen die constant aan het werk zijn; de Nederlanders, ook een paar mensen met een donkere huidskleur, zitten te genieten van hun werk.

Slavenschip

Kortom, in ‘Sinterklaas’ komen de associaties met zowel slavernij als raciale en economische ongelijkheid uitbundig naar voren en de Pieten is elke associatie met iets anders dan intense braafheid ontnomen. Dematons’ intenties doen eigenlijk niet ter zake: het boek is een kunstwerk en geeft geen oordeel over wat het verbeeldt; het roept zelfs interessante vragen op. Maar als kinderboek is ‘Sinterklaas’ problematisch. Wat zegt het over de Nederlandse cultuur dat dit boek de Gouden Penseel krijgt zonder dat ook maar genoemd wordt welke geschiedenis het oprakelt? In ieder geval presteert de Nederlandse culturele elite het om stereotypen en beelden die onmiddellijk verwijzen naar een koloniale geschiedenis naïef als een ‘Neerlandse traditie’ te presenteren. Een pessimist zou dit zien als een teken dat niet alleen de politiek, maar ook de Nederlandse cultuur haar agenda steeds meer door nationalisme laat bepalen.  

Sinterklaas van Dematons blaast het verhaal zodanig op dat het wel móet knappen. Een witte Sinterklaas die de baas is over een groep zwarte Pieten die zich braaf en blijmoedig inzetten om de Nederlanders te plezieren, kan niet meer mee in de huidige samenleving. Als de jury schrijft: ‘dat boek willen we bekijken, nu en nog jarenlang’, dan zullen we eraan moeten geloven. Ja, dit boek moeten we bekijken en dan Sinterklaas weer aanpassen; minder ‘klassiek’, minder braaf, minder Moriaantje. Meer Annie M.G. Schmidt en minder Rie Cramer, meer kleur, minder zwart-wit. En inderdaad, Anil Ramdas, meer humor zou ook mooi zijn. Anders verwordt het Sinterklaasfeest van een kostbare traditie tot een nare, pijnlijke optocht.

Yolande Jansen is Universitair Docent Politieke en Sociale Filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een bewerkte versie van een stuk uit 2008 op de website Eutopia: http://www.eutopia.nl/opinie.php?curr_id=549.